Wetenschappelijke bevindingen raken (maar) niet tot op de klasvloer!

Startdag VLOR: Diversiteit en identiteit in de klas

Met resultaten wetenschappelijk onderzoek wordt (te) weinig gedaan...

De wetenschappelijke onderzoeken die op de startdag van de VLOR werden aangehaald zijn reeds jaar en dag bekend. Zo was het onderzoek dat Els Consuegra besprak over de effecten van voornamen op ons gedrag, een herhaling van een onderzoek in Groot-Brittannië van enkele jaren geleden. Daarbij werd duidelijk dat leerkrachten een “Sara” en een “Elisabeth” duidelijk anders behandelden en hoger inschatten dan een “Kimberly” of “Kelly”. Alleen ging het ditmaal over een “Ahmed” en een “Koen”.

Zelfs het effect van letters bij de benaming van klassen, is reeds onderzocht. Zo scoren leerlingen in klas 1A systematisch beter dan in klas 1B. De mens is nu eenmaal een wandelend vat vol vooroordelen en A komt voor B; dus is A beter dan B en vragen we in klas A moeilijkere en meer oefeningen dan in klas B en daarmee is je self fulfilling prophecy al halfweg in vervulling. In sommige scholen neemt men nu de eerste letter van de naam van de klastitularis; dat helpt.

Het is datzelfde principe dat leraars toepassen op Kelly en Kimberly. Ze zullen het waarschijnlijk niet weten, dus we vragen het niet. Resultaat het kind wordt niet voldoende intellectueel uitgedaagd, louter op basis van de vooroordelen die samenhangen met de naam en mist zo een degelijke opleiding.

De effecten van identiteitsvorming en overspoeling, die professor Orhan Agirdag uitvoerig besprak, kennen we eveneens al erg lang. Met erg lang, bedoel ik héél erg lang... Deze onderzoeksresultaten leerde ik in mijn specialisatiejaar psychologie en dat was 2005. Het onderzoek naar vooroordelen in de klas stamt uit de jaren tachtig. In 2006 was ik om professionele redenen uitgenodigd op diverse evenementen van de VLOR. Ook toen werden deze onderzoeken al voorgesteld, weliswaar door andere, oudere professoren, maar de inhoud was krak hetzelfde.
Wat mij nu 12 jaar later niet alleen frustreert, maar serieus beangstigt, is dat er in al die jaren een hele generatie schoolkinderen is afgestudeerd, maar men blijkbaar nog steeds niet is overgegaan tot de systematische implementatie van deze wetenschappelijke bevindingen op de klasvloer.

Ik stel mij dan ook de vraag hoe dit komt en waarom beleidsmakers het belang van deze kennis blijkbaar zo laag inschatten, dat ze er wel voor de x’ste maal een spreekuurtje mee willen vullen, maar pertinent weigeren onze leerkrachten en directies daarin bij te scholen en bij te staan. Dat dit soort onderzoeken bovendien nog steeds geen verplicht, wezenlijk en essentieel onderdeel uitmaakt van de lerarenopleiding, is een flagrante aanfluiting van het recht van het kind op onderwijs naar maat.

Indien u twijfelt aan het recht van uw kind, leest u dan gerust artikel 28 en 29 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind Aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 20 november 1989 er op na. Daarin staat duidelijk dat “onderwijs aan het kind dient gericht te zijn op de zo volledig mogelijke ontplooiing van de persoonlijkheid, talenten en geestelijke en lichamelijke vermogens van het kind”.

Aan de overheid om de keuzes te maken die ze moet maken

Ik ga er nog steeds van uit dat de overheid tot doel heeft deze rechten te ratificeren. Om dit echter te bewerkstelligen zijn radicale keuzes noodzakelijk, want de maatschappelijke gevolgen van dit gebrekkig beleid, heeft desastreuze maatschappelijke gevolgen die ondertussen hallucinante proporties beginnen aan te nemen en resulteren in een steeds grotere tweespalt in onze samenleving en de daarbij horende ontwrichting van het sociale weefsel.

Leerkrachten kunnen niet langer onwetend voor de klas worden gezet. Zij hebben recht op deze kennis en moeten gesteund worden in de toepassing hiervan in hun persoonlijke klaspraktijk. De scholing van leerkrachten en de implementatie van deze kennis kan en mag niet langer een toevals- en gelukstreffer zijn, wanneer deze of gene universiteit besluit om als experiment eens een camera in de klas te zetten en de leerkracht te helpen met de lespraktijk. Want dan bereiken de positieve resultaten en effecten hooguit die klas, die leerkracht en die leerlingen. Laat duidelijk zijn, dat het kinderrechtenverdrag niet enkel van toepassing is op 1 klas, 1 school, maar op alle kinderen geboren en/of levend vertoevend op dit grondgebied!!!

Dit alles moet een wezenlijk onderdeel vormen van de opleiding tot het belangrijkste beroep ter wereld naast dokter, namelijk leerkracht. En dat, beste mensen, hoeft geen twaalf jaar te duren. Dat vergt slechts een sterke toename aan kwaliteitseisen binnen de lerarenopleiding en een verwetenschappelijking van de bijscholingen, die leerkrachten nu toch al moeten volgen.Laat die bijscholingen dan niet langer wollig tijdverlies zijn, maar een gedegen update van hoe een kind ontwikkelt en hoe je daar nu echt als leerkracht in de praktijk mee aan de slag dient te gaan.

Sterke leerkrachten die de juiste middelen en technieken krijgen aangeleerd, staan stevig in hun schoenen voor de klas, zijn zelfzeker over hun methodiek en kennis in hun vak en zullen met een pak minder last op hun schouders hun carrière volwerken. Inderdaad deze kennis zou het voor leerkrachten eindelijk eens wat makkelijker maken om les te geven.

Leerlingen zullen niet langer met 8 tot 25 % tegelijk uitstromen zonder diploma, afhankelijk van hun sociaal-economisch statuut, iets waar ze niet eens zelf voor gekozen hebben. Maar ze zullen weten wat ze willen, waar ze goed in zijn en hoe ze die talenten verder kunnen uitbouwen.

Dat is een onderwijs dat wel afgesteld is op de arbeidsmarkt, dat is een onderwijs dat innovatie in een samenleving stimuleert, dat is een onderwijs dat inzetbare burgers maakt en versterkt en dat is wat wij in een democratie met liberale grondrechten nodig hebben, willen we die behouden.

Want een liberale democratie dat werkt enkel als je de liberale grondrechten zelf respecteert.

Sara De Mulder
Stafmedewerker

Delen: